De tandwielen symboliseren het samenspel en de dynamiek tussen de verschillende actoren en principes en kunnen elkaar in beweging zetten. de principes opgenomen in KaBoem moet niet afzonderlijk bekeken worden. Net de samenhang ervan maakt een krachtige leeromgeving. Het kader kan dienen als reflectie-instrument om de eigen praktijk te evalueren en optimaliseren
Voor elk van de theoretische principes werden aanbevelingen uitgewerkt die je kan inzetten om je eigen klaspraktijk te versterken. Je vindt ze hieronder.
Deze website is nog in volle ontwikkeling en wordt regelmatig aangevuld met extra materiaal. Vind je nu nog niet wat je zoekt? Neem dan binnenkort zeker nog eens een kijkje. Heb je zelf goede voorbeelden van de principes in de klaspraktijk en deel je ze graag? Neem dan zeker contact op.
Je kan leerlingen in het middelpunt plaatsen door hen actief te betrekken bij en inzage te geven in hun eigen leerproces. Elke leerling brengt namelijk andere ervaringen en dus andere voorkennis mee naar de klas.
Door de leerstof te linken aan de voorkennis van leerlingen, maak je gebruik van de kenniskapstokken waarover leerlingen al beschikken. Nieuwe leerstof wordt op deze manier betekenisvol en diepgaand verwerkt, maar ook ontbrekende voorkennis kan gedetecteerd en bijgespijkerd worden. Voorkennis activeren kan op een laagdrempelige manier door simpelweg te vragen naar wat de leerling al weet over een bepaald onderwerp en ze hierover te laten vertellen of te laten opschrijven wat ze al weten.
Ook kan je ruimte te bieden voor toenemende autonomie en zelfstandigheid. Dit kan bijvoorbeeld door leerlingen, binnen een kader bepaald door de leraar die uiteraard didactisch expert blijft, te laten kiezen uit verschillende opdrachten of de volgorde te laten bepalen waarin ze bepaalde opdrachten uitvoeren. Wanneer leerlingen genoeg bagage hebben kan je ze ook zelf de kans bieden om inspraak te bieden in wat ze willen leren (binnen de leerdoelen die ze moeten behalen). In een praktijkvak zouden leerlingen bijvoorbeeld zelf kunnen kiezen in welke vorm ze hun audioluidsprekertje gaan maken.
Daarnaast is het belangrijk dat leraren zich bewust zijn van de emotionele ontwikkeling en behoeften van hun leerlingen. Gepersonaliseerde en gerichte aanmoedigingen, bijvoorbeeld om het belang van taken duidelijk te maken, kan een positief effect teweegbrengen. Leren krijgt hierdoor niet alleen meer betekenis, je geeft als leraar ook aan dat je oog hebt voor de leerling als persoon.
Vanuit kaBOEM komen er twee aspecten naar voor die bijdragen tot effectief klasmanagement:
Het eerste aspect gaat over het goed plannen en organiseren van de leeractiviteiten. Een leerling kan namelijk pas leren als hij of zij met de leerinhoud bezig is, en dus de lestijd daadwerkelijk kan spenderen aan leerachtiviteiten. Dit vraagt een goede organisatie en coördinatie van de klas– en lespraktijk. Denk maar eens aan de minuten die je verliest wanneer leerlingen materiaal kwijt zijn, niet bij zich hebben, de klas luidruchtig binnenkomen… Het zijn allemaal momenten waarop er niet geleerd wordt. Duidelijke routines, een logische volgorde en timing van leeractiviteiten, een goede voorbereiding… dragen bij tot een gestructureerde en positieve leeromgeving, waarin de lestijd optimaal benut wordt.
Wanneer men gewenst gedrag ziet als ‘aan te leren’, dan is het logisch dat routines (herhaald aangeleerd gedrag) van groot belang kunnen zijn. Het is dus een goed idee om routines, zoals het binnengaan van een klaslokaal of het gebruik van wisbordjes, in te oefenen. Je kan bijvoorbeeld duidelijke afspraken maken rond het signaal waarop leerlingen het wisbordje in de lucht steken, de grootte van het geschreven antwoord… Het biedt je de kans om duidelijk te maken wat je concreet van leerlingen verwacht, gedrag te automatiseren en ‘foutjes’ tijdig weg te werken, zodat je doorheen het schooljaar zeeën van tijd wint.
Ten tweede gaat goed klasmanagement over de voorwaarden die je creëert voor een rustig klasklimaat. Hierbij is het noodzakelijk dat je regels en verwachtingen duidelijk communiceert naar de leerlingen, zodat ze goed weten wat er van hen wordt verwacht. Welk gedrag zien jij en je team als gewenst en hoe ziet dat er concreet uit? Daarnaast is het belangrijk om goed gedrag expliciet te bekrachtigen en soms te belonen. Hierdoor creëer je succeservaringen, wat enorm kan motiveren en inspireren. Dit wordt ook wel preventief klasmanagement genoemd.
Verder is ook reactief klasmanagement nodig. Wanneer je duidelijke regels en verwachtingen hebt gecommuniceerd, is het belangrijk om deze consequent na te leven. Vooraf nadenken over welke consequenties je hanteert wanneer leerlingen een grens overschrijden is dus een goed idee. Zo kan je bijvoorbeeld met je team een maatregelenladder opstellen, waarbij je vooraf bepaalt hoe je op storend gedrag reageert. Wat doe je bijvoorbeeld wanneer een leerling in eerste instantie niet ingaat op een aanmaning? Wanneer bepaal je of een leerling de klas moet verlaten? Op deze manier kan je op een vriendelijke en neutrale manier handelen en zorg je ervoor dat een emotionele reactie achterwege blijft. Hierbij kan het ook een goed idee zijn om de stem van de leerlingen te betrekken.
Zowel bij preventief als reactief klasmanagement kan niet voldoende onderstreept worden dat een schoolbrede visie in dezen een grote hulp is voor de individuele leraar. Een versnipperd beleid rond klasmanagement leidt tot willekeur en individuele aanpakken, wat net de individuele leraar bemoeilijkt in het aanleren van routines en naleven van afspreken.
Lesgeven is complex. In tegenstelling tot een hersenchirurg die met een heel team opereert op één stel hersenen, wordt van een leraar verwacht dat hij of zij hersenwerk verricht bij alle leerlingen in de klas, zonder zelfs maar te zien wat er daadwerkelijk gebeurt in die bovenkamer. Het vergt een specifieke set aan vaardigheden die ervoor zorgt dat leerstof op een behapbare manier wordt aangeboden en tegelijkertijd opgeslagen wordt in het langetermijngeheugen. De verbeteringen die je kunt aanbrengen aan je instructiekwaliteit zijn echter vaak laagdrempelig en snel te integreren . Verschillende aspecten zijn daarbij belangrijk:
Effectieve leraren zorgen voor een logisch opgebouwde, goed gestructureerde les waarin de verschillende lesfasen vlot in elkaar overlopen en ondersteuning geleidelijk aan wordt afgebouwd. Zo kan je voor nieuwe leerstof starten met uitgewerkte voorbeelden of luidop nadenken tijdens het aanleren van nieuwe vaardigheden. Leerlingen krijgen op deze manier inzage in de complexiteit van elke denkstap en kunnen zich hierop focussen tijdens de inoefening. In een volgende fase wordt de ondersteuning geleidelijk aan afgebouwd, door bijvoorbeeld eerst een oefening samen te maken met leerlingen. Tijdens deze fase kan er via formatieve evaluatie (zie evalueren om te leren) gecheckt worden of de leerlingen de leerstof begrepen hebben, zodat er tijdig kan worden bijgestuurd. In een volgende fase kunnen ze samen of zelfstandig aan de slag om de leerstof zelfstandig in te oefenen. Ook kan er, naarmate de leerling meer expertise krijgt, overgegaan worden naar meer complexe opdrachten.
Leerlingen hebben baat bij leeractiviteiten die op een gepast niveau worden aangeboden, niet te makkelijk en niet te complex. Door middel van formatieve evaluatie (zie evalueren om te leren) kan je goed het niveau van elke leerling monitoren en instructie aanpassen aan de leernoden (zie adaptief onderwijs). Leerlingen die de leerstof goed beheersen kunnen al sneller overgaan naar complexere opdrachten, terwijl anderen misschien nood hebben aan verlengde instructie. Zoals hierboven al kort werd aangegeven, kan een duidelijke lesstructuur hier een handige leidraad bieden voor een gevarieerd aanbod aan activiteiten waarbij ondersteuning geleidelijk aan wordt afgebouwd en er een mooie overgang is van begeleide oefening naar zelfstandige. Ook het aanbod van de oefeningen zelf is best gevarieerd, zodat leerlingen de leerstof zich op verschillende manieren eigen maken. Principes die hierbij handig zijn om in het achterhoofd te houden zijn:
Bovendien doet verandering van spijs eten. Laat leerstof op verschillende manieren via verschillende oefeningen terugkomen. Wanneer leerstof wordt verwerkt in verschillende contexten, creëren leerlingen meer geheugenpaden en associaties, waardoor kennisschema’s worden versterkt. Telkens dezelfde soort oefeningen maken op telkens dezelfde manier is ook weinig motiverend. Een lesopstart kan bijvoorbeeld eens gebeuren via een kleine quiz, via een vraagstuk, een probleemstelling of gewoon de vraag waarbij leerlingen alles moeten opschrijven wat ze weten. De principes achter de werkvorm triggeren het leereffect, niet noodzakelijk de werkvorm zelf. Een quiz kan bijvoorbeeld wel of geen herhaling uitlokken.
Wat je al weet binnen een domein bepaalt hoe goed en hoe snel je nieuwe dingen binnen dat domein leert. Voorkennis is dus de belangrijkste voorspeller voor toekomstig leren. De les starten met het activeren of bijspijkeren van voorkennis biedt dan ook een heel aantal voordelen:
Een goede leeromgeving is er eentje met veel interactie. Enerzijds tussen jou en de leerling, door bijvoorbeeld veel goede vragen te stellen over de leerinhouden waarbij leerlingen diep moeten nadenken. Het stellen van open vragen, procesvragen… die verder gaan dan het louter reproduceren van wat geleerd werd dienen dit doel goed. Een klimaat creëren waarbij elke leerling wordt uitgenodigd om na te denken over de vragen, en er dus maximale betrokkenheid is, kan ook op een heel laagdrempelige manier. Door bijvoorbeeld eerst de vraag te stellen, genoeg denktijd te voorzien en daarna pas willekeurig een leerling aan te duiden, is de kans groter dat je alle leerlingen laat nadenken, bij hen een leereffect triggert en de betrokkenheid vergroot. Dit concept heet ‘willekeurig bevragen’ (cold calling).
Voorbeeld:
Op antwoorden die leerlingen formuleren, maar ook taken die ze indienen, opdrachten die ze maken… is het dan weer feedback die de verdere interactie bevordert. Hierbij kan het effectief zijn om verder te gaan dan klassieke feedback, waarbij wordt gezegd wat er goed en/of fout is. Feedback voorzien op het niveau van proces of zelfregulatie kan ervoor zorgen dat een leerling weer harder moet nadenken en dus het leren bevorderen.
Voorbeeld:
Anderzijds is er ook de interactie tussen leerlingen onderling die bevorderd kan worden. Door werkvormen te hanteren waarbij leerlingen samen moeten nadenken, feedback moeten geven aan elkaar… is de kans groot dat niet alleen het leren versterkt, maar ook de betrokkenheid verhoogt. Samenwerkend leren wordt uiteraard idealiter heel doordacht ingezet. Bij oefeningen waar voor leerlingen de voorkennis nog helemaal ontbreekt, is het vaak weinig effectief. Werkvormen als bijvoorbeeld think-pair-share, zijn hier handig voor. Het concept erachter is simpel:
Bij “evalueren om te leren” kunnen drie vragen houvast bieden. Elk van deze vraag is op een zeer laagdrempelige manier toepasbaar in de klaspraktijk.
Waar ga ik naartoe?
Wanneer verwachtingen en doelen helder en duidelijk gecommuniceerd worden, creëren we bij leerlingen een goed kwaliteitsbesef. Ze weten wat er van hen wordt verwacht. Een handige ter reflectie kan hierbij zijn: het is niet omdat je als leraar goed weet wat er verwacht wordt, dat dit ook steeds voor de leerlingen duidelijk is. Uitgewerkte voorbeelden in combinatie met rubrics, luidop nadenken tijdens het modelleren van nieuwe vaardigheden, goede en slechte voorbeelden met elkaar vergelijken… zijn hiervoor handige didactische technieken.
Waar sta ik nu?
Het is belangrijk om op regelmatige basis vinger aan de pols te houden en het leerproces in kaart te brengen van al je leerlingen. Hoewel dit uitdagend en complex lijkt, kan het vaak op een laagdrempelige manier, bijvoorbeeld via kleine quizjes, goede denkvragen… Deze werkvormen kan je makkelijk combineren met werkvormen waarbij alle leerlingen betrokken worden. Wanneer je bijvoorbeeld wisbordjes gebruikt waarop leerlingen het juiste antwoord moeten noteren, heb je meteen een overzicht van de antwoorden van de hele klas. Je ziet als leraar wie mee is en wie niet.
Hoe ga ik een stap vooruit?
Op basis van de informatie die je als leraar krijgt, kun je via feedback of aangepaste activiteiten, die aansluiten bij de leernoden, leerlingen een stap verder brengen in het leerproces. Zo kan je veelgemaakte fouten en misconcepties tijdig detecteren en wegwerken, extra ondersteuning voorzien wanneer leerlingen de leerstof nog niet beheersen, maar ook leerlingen die de leerstof al snel onder de knie hebben sneller doorsturen naar een complexere opdracht.
Door het leerproces van de leerlingen goed in kaart te brengen (zie evalueren om te leren), krijg je een goed beeld van de leerbehoeften van je leerlingen.
Leerlingen die de leerstof (snel) onder de knie hebben, kunnen over naar een volgende stap. Ze kunnen sneller doorgestuurd worden naar meer uitdagende opdrachten, zoals het opstellen van toetsvragen, het maken van samenvattingen voor de hele klas, het begeleiden van leerlingen die ondersteuning nodig hebben…
Maar leerlingen die tijdens een initiële leerfase weinig of geen vooruitgang boekten, kan je bijvoorbeeld extra ondersteuning aanbieden in de vorm van extra instructie, begeleiden in flexibele niveaugroepjes, het extra ondersteuning (scaffolds) aanbieden in de vorm van stappenplannen en grafische organizers … Voor leerlingen waarvoor die extra ondersteuning nog steeds niet voldoende was, kunnen in een volgende fase speciale maatregelen genomen worden, zoals een extra leraar in de klas, leerlingbegeleidingsdiensten….
Ook voor de aanbreng van nieuwe leerinhouden kunnen verschillen in voorkennis al bepalend zijn. Het is geen slecht idee om leerlingen die nog niet over voldoende voorkennis beschikken extra ondersteuning te bieden via bijvoorbeeld voorinstructie (pre-teaching), waarbij je de belangrijkste elementen en woordenschat van de nieuwe leerstof kort voor de les aanbiedt. Dit kan tijdens een remediëringsuur, door een ondersteuningsleerkracht of onderwijsassistent, maar evengoed via een instructiefilmpje dat je al dan niet zelf maakte en in een digitale leeromgeving plaatst.
Bij het ontwerpen van de leeractiviteit rond een bepaald lesonderwerp/concept kunnen volgende vragen leidraad geven om de stap te zetten naar betekenisvolle leeractiviteiten die leerlingen prikkelen om mee aan de slag te gaan:
Je licht opsteken bij de collega’s van de richtingspecifieke vakken kan inspirerend werken voor het vinden van de authentieke contexten en kan bijdragen aan de transfer van leerstof tussen de algemene vakken en de praktijk.
Het aanbieden van lesmateriaal dat authentiek is verhoogt vaak de moeilijkheidsgraad. Het werken met ondersteunend materiaal, ondersteuning (scaffolding) zal hier nodig zijn om het materiaal toegankelijk te maken voor de leerlingen.
Het aanleren van deze strategieën gebeurt best binnen een specifiek domein. Probleemoplossende vaardigheden binnen het vak wiskunde zijn bijvoorbeeld niet automatisch te transfereren naar bijvoorbeeld taalvakken of geschiedenis. Ze berusten namelijk op een sterke domeinspecifieke kennisbasis. Zoals gesteld fungeert de leraar als rolmodel en bouwt deze ondersteuning stelselmatig af. Vier handige stappen kunnen hiervoor als leidraad dienen:
Voorbeelden:
Voorbeelden:
Voorbeelden:
Verder kan je bij het oplossen van problemen ook steeds gebruik maken van goede denkstimulerende vragen stellen, zoals:
Veel leraren zijn zich niet bewust van de opvattingen die ze zelf hebben over effectief onderwijs of hun rol als leraar. Bovendien blijkt ook dat de inschatting van wat effectief is, niet altijd overeenkomt met de daadwerkelijke lespraktijk. Misconcepties zijn vaak hardnekkig en moeilijk te ontkrachten. Daarnaast blijkt ook dat wat vanzelfsprekend lijkt, niet altijd wordt toegepast, net omdat het vanzelfsprekend lijkt. Leraren kennen bijvoorbeeld het belang van goede vragen stellen en het betrekken van elke leerling bij een vraag. Maar in hoeverre stemt jouw praktijk daar effectief mee overeen? Hoe sta jij tegenover effectief onderwijs?
Stilstaan bij je eigen overtuigingen omtrent onderwijzen en leren kan waardevol zijn om je eigen lesaanpak te ontleden: welke rol neem jij aan als leraar? Welke doelen wil je met je leerlingen bereiken? Welke didactische principes zijn volgens jou het effectiefst in jouw klascontext? Welke inhouden, didactische principes hebben geen plaats in jouw beeld over onderwijzen en leren? Weerspiegelt mijn lesaanpak wel de kennis die ik heb over effectief onderwijs?
Wie een helder beeld hierover heeft, kan nieuwe inzichten effectiever aftoetsen aan het eigen referentiekader en gerichter aanpassingen doen die een impact hebben op de lespraktijk.
Het versterken van Pedagogical Content Knowledge (PCK) van leraren kan op verschillende manieren. Enerzijds kan vakinhoudelijke en vakdidactische kennis bekomen worden door een gericht professionaliseringstraject te volgen.
Anderzijds kan een nauwe samenwerking tussen lerarenteams over graden en vakken heen inzicht geven in de Op welke manier werd er in de vorige jaren met een bepaald leerstofonderdeel aan de slag gegaan? Op welke manier komt een bepaald concept aan bod in andere vakken? Welke voorkennis zou er aanwezig moeten zijn? Wanneer wordt het concept herhaald? Welke nieuwe kennis wordt aan veronderstelde voorkennis gekoppeld? Welke kennis is noodzakelijk voor de volgende jaren? Waarop wordt er voortgebouwd?
Onze verwachtingen uiten we op de meest subtiele manieren. Zo zouden leraren bijvoorbeeld meer en diepere denkvragen stellen aan leerlingen van wie ze meer verwachten, meer en betere feedback geven, meer erkenning geven, meer ontvankelijk zijn voor hun antwoorden en voorstellen… in tegenstelling tot leerlingen van wie leraren minder verwachten. Zij krijgen meer kritiek, minder kansen op publieke interactie, minder kansen om te antwoorden … Vaak zit het dus in kleine zaken, waarbij zelfs onze non-verbale communicatie een grote rol speelt. Heb jij hoge verwachtingen van je leerlingen?
Net zoals bij de overtuigingen over leren en onderwijzen zijn leraars zich niet altijd bewust van hun verwachtingen ten opzichte van hun leerlingen. Het observeren van een les of maken van een video-opname kan hier waardevolle input geven. Het expliciet inzetten op het stellen van denkvragen aan alle leerlingen en het voorzien van kleine ‘opstapvragen’ naar de uiteindelijke vraagstelling zijn denkoefeningen die een effect kunnen hebben. Eveneens het expliciteren en verwoorden naar de leerlingen toe dat je gelooft in hen kan al wonderen doen bij leerlingen die al te vaak gehoord hebben ‘Dat kan jij toch niet’.
Net zoals bij leerlingen werkt een professionalisering die aansluit bij de noden en de interesses van het lerarenteam motiverender. Het goed in kaart brengen hiervan is dan ook een eerste stap om een duurzame professionalisering van het team te bekomen.
Professionalisering is echter maar zo effectief als het in de praktijk wordt uitgevoerd en gaat dus verder dan de gekende nascholingen door externe partners of pedagogische studiedagen die jaarlijks worden voorzien. Bewuste toepassing in de lespraktijk, met de nodige aandacht voor inoefening en evaluatie van de uitgevoerde praktijk leiden ertoe dat effectieve technieken meer en meer geautomatiseerd en geïmplementeerd geraken. Kies daarbij dus een focus op een principe dat je in je lessen wilt terugzien en denk goed na over hoe je dit concreet wil aanpakken. Wanneer je de werkvorm, het principe, de techniek een aantal keer hebt geprobeerd en geperfectioneerd, kan je nadenken over een volgende verbetering. Begin dus klein.
Een andere interessante piste is het samen ontwerpen van lessen, waarbij je samen met een collega goed nadenkt over de concrete toepassing van een bepaald leerprincipe. Dit biedt de mogelijkheid om samen in gesprek te gaan over de leerinhouden, elkaar feedback te geven en ideeën uit te wisselen. Wanneer het samen ontwerpen nog een ver-van-mijn-bed-show lijkt, kunnen ook kleinere vormen van samenwerking onder collega’s al veel doen. Elkaar ondersteunen en helpen bij moeilijkheden, succeservaringen/verhalen delen met elkaar, bij elkaar komen observeren om van elkaar te leren… communicatie is de sleutel.
Zeer waardevol is ook de feedback van een collega. Nodig dus zeker eens iemand uit met de specifieke vraag om te letten op wat jij wil uitproberen. Op basis van een constructief nagesprek kan jij je aanpak bijsturen om deze nog beter te maken.
Een schoolbezoek brengen aan een andere school of zelf observeren bij een collega kunnen eveneens je eigen kennis, je eigen referentiekader verbreden. Andere mogelijkheden zijn het lezen van professionele literatuur of misschien zelfs het opzetten van een leesgroep in de school rond een actueel thema. Het draagt bij tot een schoolcultuur waarin levenslang leren gestimuleerd wordt.