Zo doen zij het

Voorbeelden uit de klaspraktijk

Tijdens het onderzoek naar effectieve leeromgevingen in de B-stroom werden vier case studies gemaakt van succesvolle scholen. In deze studies gingen de onderzoekers in gesprek met verschillende actoren binnen de school en werd nagegaan welke praktijken zij organiseren in het creëren van krachtige leeromgevingen en welke werkcondities als ondersteunend worden ervaren. Gezien de uitdagingen die de B-stroom met zich meebrengt, zetten we hier alvast enkele van deze praktijken in de kijker.

1.

Zo doen zij het: de vlinderleraar

Een uur per week krijgt elke leraar wiskunde in elke klas in de B-stroom een collega wiskunde die komt ondersteunen. Er wordt daarbij voor elke leraar wiskunde een uur toegewezen om deze ondersteuning te voorzien in de onderwijsopdracht. Dit uur wordt ook mee opgenomen in het uurrooster. De taakinvulling varieert van het bijwerken van leerlingen met achterstand tot het monitoren van oefeningen of het geven van feedback.

Uit de bevraging blijkt dat de vlinderleraar als enorm ondersteunend wordt ervaren. Men ziet de meerwaarde in het feit dat de vlinderleraar een collega wiskunde is met ervaring in de B-stroom en daardoor dus goed weet hoe een oefening uitgelegd moet worden op maat van een leerling. Een ander voordeel is ook dat de mogelijkheid gecreëerd wordt om elkaars lessen te observeren, wat dan weer tot inspiratie leid voor de eigen aanpak of om deze net bij te sturen. De praktijk lijkt de samenwerking te bevorderen en voor startende leraren is het een toegankelijke manier om ervaring op te doen.

Omdat leerlingen minder lang moeten wachten, wordt de leertijd gemaximaliseerd. Ook klasmanagement lijkt een positief impact te kennen.

De nood lijkt niet in elke klas even groot te zijn. Voor anderstalige leerlingen of leerlingen met een schoolse achterstand of een leerstoornis lijkt de ondersteuning belangrijker te zijn.

2.

Zo doen zij het: een assistentiesysteem

Bij één van de scholen kunnen leraren via een online tool ondersteuning of vervanging aanvragen bij collega’s. Leraren kunnen daarin registreren wanneer ze assistentie nodig hebben tijdens de les. Vragen variëren van hulp bij klasmanagement tot individuele ondersteuning voor leerlingen die lessen moeten inhalen. Naast hun eigen lesopdracht, ondersteunen of vervangen leraren zelf maximaal twee collega’s, maar in een flexibel systeem. Met uren die niet vast gebeiteld zijn in het uurrooster, kunnen leraren namelijk zelf kiezen ze die uren presteren. De traditionele “wachturen” zijn mee opgenomen in dit systeem.

Uit bevraging blijkt dat het systeem samenwerking, professionele ontwikkeling en collegialiteit bevordert. Leraren leren van elkaar door samen lessen voor te bereiden en te geven, wat de kwaliteit van het onderwijs verbetert. Verder komt ook een gedeelde verantwoordelijkheid voor het leren van de leerlingen sterk naar voor, zowel in het lesgeven als in het opvolgen van leerlingen. Voor leerlingen betekent het systeem dat ze toch les krijgen als hun vaste leraar afwezig is, waardoor de leertijd gemaximaliseerd wordt.

Bepaalde lesuren geraken moeilijker ingevuld dan andere waardoor leraren niet de gewenste ondersteuning hebben en bijgevolg hun lesvoorbereiding moeten bijsturen of reorganiseren.

3.

Zo doen zij het: de eindopdracht

Leerlingen krijgen op het einde van elk trimester een opdracht waarop de leerstof van het hele trimester samenkomt. Leerlingen krijgen daarbij meerdere uren om aan deze opdracht te werken. Leerlingen moeten zo bijvoorbeeld een realistisch ontwerp maken van een huis via een computerprogramma om vervolgens een maquette te creëren van één kamer naar keuze. In deze opdracht  wordt zo de leerstof van schaal, volume, ruimtefiguren… geïntegreerd in een realistische authentieke context.

Uit bevraging blijkt dat leerlingen gemotiveerd zijn voor deze eindopdracht, gezien de opdracht de relevantie van de geziene leerstof concreet weergeeft. De complexiteit van de opdracht daagt alle leerlingen, dus ook de sterkere, uit. Hierdoor moet iedereen zich inspannen. Leerlingen leren daarbij ook nadenken over de leerstof zelf.

Niet elke leraar voelt zich comfortabel bij deze opdracht. Ook is er ruimte en materiaal nodig om de opdracht te kunnen uitvoeren.

Extra voorbeelden en toelichting

Voor meer concrete voorbeelden en toelichting kan je het rapport van Deelstudie 4 – Case studies raadplegen.

Een overzicht van alle deelstudies en de beleidssamenvatting vind je hier.